| DE ZONAANBIDDERS | download deze tekst |
Een korte zenuwtrek haalt me uit mijn trance. Ik richt me met mijn ellebogen op en zie dat ik inderdaad op het strand lig. Het strand waar ik vanochtend uit verveling ronddoolde, totdat ik plotseling de onweerstaanbare drang voelde om op het zand te gaan liggen. De rest is een nevel. Maar hoe lang heb ik hier gelegen? Aan de stand van de zon te zien, de hele middag. Bij de zon blijven mijn gedachten een tijd los rondcirkelen totdat ik weer weg zak en droom. Een droom van duizenden zonnen die dreunend neuriën over dwaze verlangens om het universum voor eeuwig te verlichten. Pas aan het einde van de middag wanneer het geruis van de zee toeneemt en de schemering invalt word ik voor de tweede maal wakker. Er was geen reden om terug te keren maar ook niet om weg te blijven. De volgende ochtend bevond ik mij op hetzelfde strand en zodra de zon mijn lichaam vond, viel ik langzaam weg in een zelfde staat tussen trance en droom. In de droom groeide de zon tergend langzaam tot zijn werkelijke proporties, steeds licht pulserend alsof de ster een hartslag bezat. Tegen het einde van de droom, toen ik in paniek probeerde te vluchten, was hij zo groot dat het hele gezichtsveld door zijn vuur werd gedomineerd, een spektakel dat ergens achter mijn ogen een stekende pijn veroorzaakte, niet zozeer door toedoen van het licht maar alsof mijn hersens zich in pijnlijke haast onmogelijke bochten moest wringen om het besef van proportie te kunnen plaatsen. Wanneer ik me eindelijk door de wollige lagen van droomstof heb kunnen wringen besef ik na enkele seconden dat het al duister is. De gedachte dat ik de hele dag non-stop heb weggedroomd beangstigt me licht. Op weg naar huis besluit ik gedecideerd om morgen uit de buurt van het strand te blijven. Een goed idee nietwaar? ‘s Nachts kan ik echter niet slapen. De duisternis houdt me wakker en begint bovendien een vormloze angst in te boezemen die ik sinds mijn kinderjaren niet meer heb gevoeld. Na uren woelen kondigt de nieuwe dag zich eindelijk aan en tegelijkertijd verdwijnt mijn laatste wilskracht. Zwetend en vermoeid loop ik naar het strand waar ik me, snel opgewarmd door de zon, veilig in het zand kan laten neerploffen. |
|
| pagina -1- | volgende |